Vooral wanneer het kouder wordt, is het voor veel tuinbewoners vaak moeilijk om voldoende voedsel en een onderdak te vinden. De bloemen zijn al verdord, de temperaturen dalen en de grond bevriest. Om het evenwicht van nuttige dieren en plaagdieren in je tuin in stand te houden, moet je vooral de nuttige dieren beschermen. Op die manier verminder je indirect het aantal plaagdieren en voorkom je dat deze zich in het voorjaar ongehinderd kunnen vermeerderen en je planten aanvallen.
De eenvoudigste maatregel om te voorkomen dat nuttige dieren doodvriezen, is een natuurlijke, rommelige tuin. Je kan bijvoorbeeld de bladeren over de borders en onder struiken verspreiden. Op die manier bevriest de bodem minder snel en worden de regenwormen in diepere lagen beschermd tegen de kou. Ook kunnen loopkevers - die zich voeden met coloradokevers, rupsen en slakkeneieren - dan beter overleven.
Als je in de herfst je haag hebt gesnoeid en het snoeiafval nog niet hebt weggegooid, kan je dat zodanig opstapelen dat egels, padden en spinnen de winter daarin kunnen doorbrengen. Ze zijn echter ook blij met een schuilplaats in de vorm van bijvoorbeeld een lege bloempot. Door egels te ondersteunen help je tevens je tuin, omdat egels voornamelijk slakken eten - de slakken die zo graag je bloem- en groenteplanten teisteren.
Als je pas in het voorjaar begint met het snoeien van vaste planten, kunnen vogels in de winter nog steeds voedsel in de bloeiwijzen vinden. Bovendien kunnen in de holle stengels die je laat staan de poppen en eieren van vlinders zich uitstekend ontwikkelen. Onder vogels zijn de bessen van sleedoorn-, duindoorn- en meidoornstruiken en de veelvoorkomende sneeuwbal erg populair.
Ook bijen en hommels zijn op zoek naar een kwartier. Zonder hen zouden er geen bloemen, fruit en groenten zijn! Daarom is het een heel goed idee om een bijen- en insectenhotel te kopen of zelf te bouwen en in je tuin te plaatsen. Voor insecten is dat zowel 's zomers als 's winters een toevluchtsoord.
Veel mensen hebben in de winter de gewoonte om vogels te voederen met zaden of met een mezenbolletje, omdat het in die tijd voor vogels moeilijk is om voedsel te vinden. Vogels die niet naar het zuiden trekken, komen dan regelmatig terug naar je tuin. Er wordt onderscheid gemaakt tussen graan- en zadeneters (vinken, mussen en geelgorzen) en zachtvoereters, die o.a. insecten, wormen, bessen en kleine zaden eten (roodborstjes, mezen, heggenmussen en merels).
Handleiding
In plaats van vogelvoer te kopen, kan je ook je eigen mengsel van vogelvoer en vet maken. Hiervoor heb je bijvoorbeeld kokosvet, geklaarde boter of rundertalg nodig. Voor de graan- en zadeneters zijn graankorrels, zonnebloempitten, hennepzaden en in stukjes gehakte noten heel geschikt. De zachtvoereters hebben het liefst havervlokken, zemelen, rozijnen en bessen.
Verhit het vet, meng het voermengsel er doorheen en giet dit als het nog warm is in een vorm (blikje, drankenkarton, enz.) waarin je bakpapier hebt gedaan. Leg hierin, voordat het mengsel gestold is, een lint om de bol aan op te hangen. Haal na het afkoelen de bol voorzichtig uit de vorm, maak het bakpapier los en hang de vetbol buiten op.
Ook eekhoorns zijn 's winters blij met wat extra voer. Hiervoor zijn speciale stevige automaten ideaal, omdat eekhoorns heel verwoed - en zelfs hardhandig - kunnen worden als het gaat om hun voer! Je kan het automaat vullen met walnoten, hazelnoten, zaden, beukennootjes, paddenstoelen of kastanjes. Misschien heb je in je tuin zelfs ruimte voor een hazelnoot- of bessenstruik? Je moet dan weliswaar de oogst delen, maar waarborgt een duurzame autonomie in de voedselvoorziening van eekhoorns.